Opbouw Wo scriptie

Opbouw scriptie

De opbouw van je Wo scriptie hangt samen met de empirische cyclus die je doorloopt wanneer je wetenschappelijk onderzoek doet. Deze cyclus bestaat uit vijf fasen: observatie, inductie, deductie, toetsing en evaluatie (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Deze cyclus staat weergegeven in de figuur hieronder.

Scriptiebegeleider
Emperische cyclus

Observatie

Observatie heeft betrekking op het observeren van literatuur, feiten, kennis, de praktijk etc. waardoor een idee ontstaat voor een onderzoeksvraag (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Dit is de eerste stap die je maakt wanneer je met je scriptie start. Vaak geeft je opleiding het kennisveld aan waarbinnen je onderzoekt doet, bijvoorbeeld business administration of business economics. Binnen dit kennisveld ga je opzoek naar een onderzoeksprobleem. Het kan zijn dat je op basis van je ervaringen uit de praktijk interesse hebt in een bepaald onderwerp, dan kun je dit onderwerp als uitgangspunt nemen. Je kunt ook de literatuur observeren op basis van een thema/onderwerp dat je interessant vindt. 


Vervolgens zoek je naar literatuur rondom het door jou gekozen onderwerp. Dit doe je om jouw eigen kennis rondom het onderwerp of thema te vergroten en inzicht te krijgen in wat er al wel bekend is in de literatuur en wat nog niet. Of terwijl waar nog een "gap" in de literatuur aanwezig is dat vraagt naar verder onderzoek (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Op basis van een gap kun je een probleemstelling en onderzoeksprobleem formuleren. Methoden om tot een onderzoeksprobleem te kunnen komen heten gap-spotting of problematisering. 


De probleemstelling formuleer je op basis van bestaande literatuur omdat je onderzoek aansluiting dient te vinden op voorgaande onderzoeken. Jouw onderzoek probeert uiteindelijk een bijdrage te leveren aan het huidige kennisveld. Daarom dien je ook de theoretische relevantie van je onderzoek aan te tonen. Hierin geef je het belang van je onderzoek aan.


Inductie

Tijdens de inductie fase van de emperische cyclus ga je opzoek naar het verwachte antwoord op je onderzoeksprobleem (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Deze verwachting baseer je op de huidige literatuur. Daarbij start je met een definitie te geven aan de variabelen uit je onderzoeksprobleem. Wat betekenen de variabelen volgens de bestaande theorieën? Uit welke dimensies bestaan de variabelen? En op welke manier beïnvloeden deze variabelen elkaar volgens de literatuur? De huidige literatuur bevat theorieën die je helpen om hieraan een uitleg te geven en op basis daarvan stel je algemene hypothesen op (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Dit zijn voorspellingen die jij verwacht op basis van de theorie die je bestudeerd hebt. Uiteindelijk schrijf je tijdens de inductie fase het theoretisch kader van je onderzoek waarin je ook het conceptueel model van jouw onderzoek presenteert.


Deductie

Tijdens de deductie fase ga je op basis van de inzichten die je hebt gekregen tijdens de inductie fase toetsbare hypothesen of onderzoeksvragen opstellen (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). In de inductie fase heb je definities gegeven aan de variabelen binnen je onderzoek. In de deductie fase operationaliseer je deze variabelen, je gaat je concepten meetbaar maken. Daarnaast stel je op basis van eerdere onderzoeken vast welke methoden van onderzoek passend zijn in jouw onderzoek om uiteindelijk je onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden. Belangrijk hierbij is dat je duidelijk motiveert waarom deze methoden geschikt zijn (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). In deze fase schrijf je dan ook het hoofdstuk methodologie dat soms ook methode van onderzoek wordt genoemd. 


Toetsting

Tijdens de fase toetsing voer je je onderzoek uit en geef je de resultaten gestructureerd en objectief weer (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Bij kwalitatief onderzoek beschrijf je de resultaten en presenteer je de data  in grafieken, tabellen , etc. De grafieken en tabellen zijn ondersteunend aan je tekst. Bij kwalitatief onderzoek beschrijf je de resultaten. Je geeft duidelijk weer of de resultaten van je onderzoek de opgestelde hypothesen wel, niet of gedeeltelijk ondersteunen. In deze fase schrijf je het hoofdstuk resultaten.


Evaluatie

Tijdens de evaluatie fase trek je conclusies op basis van je resultaten uit de toetsing fase (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016). Je beantwoordt de opgestelde onderzoeksvragen. Daarnaast leg je de bevindingen van jouw onderzoek naast de bestaande literatuur die je bestudeerd hebt tijdens de inductie en deductie fase. Je maakt inzichtelijk in hoeverre jouw bevindingen overeen komen met de bestaande literatuur, waar ze afwijken en/of inzichten toevoegen. Hierin geef je ook aan wat de reden hiervoor zou kunnen zijn. Dit doe je in de vorm van een discussie. Hierin worden ook nieuwe vragen inzichtelijk (nieuwe onderzoeksproblemen) die een suggestie kunnen zijn voor vervolg onderzoek, dit zijn je aanbevelingen voor verder onderzoek. Daarnaast kan je onderzoek (nieuwe) inzichten geven die waardevol zijn voor de praktijk. Op basis van deze inzichten geef je aanbevelingen voor de praktijk. Als laatste evalueer je in deze fase de beperkingen van je onderzoek. Hierin geef je aan wat de tekortkomingen van je onderzoek zijn en welke impact dat heeft op de resultaten en bevindingen van je onderzoek (Scheepers, Tobi & Boeije, 2016).


Literatuur 

Literatuur die jou verder kan helpen bij de opbouw van je scriptie.

Wil je hulp bij de opbouw van je scriptie?

Afstudeerwijzer helpt jou verder.